Pony Gig

Rijtuigbouwer Onbekend
Bouwjaar1890
HerkomstEngeland
Restauratiejaar-

De Gig werd begin 1900 veel gebruikt door zakenlieden en handelsreizigers om heen en weer te reizen van hun woonplaats naar de centra van de grote steden in Engeland.

Bij hun woonhuis hadden ze een stalling voor het rijtuig, het zgn. gig house, zoals we tegenwoordig vaak een garage bij het huis hebben voor het stallen van de auto. Een Gig is een tweewielig rijtuig dat getrokken wordt door één paard of pony en biedt plaats aan twee personen, die naast elkaar zitten. Echter ook de gig was aan de mode onderhevig en er werd rekening gehouden met de wensen van de kopers.

Ik rij de Gig met name bespannen met 2 pony’s in tandem waarbij het voorpaard zo wordt aangespannen dat het aan een ‘knuppeltje’ trekt. Dit knuppeltje zit door middel van een riem aan een tweede knuppeltje, dat op zijn beurt via twee korte trekriemen aan de strengen van het achterpaard gegespt zit. Het geheel wordt omhoog gehouden door een kettinkje dat aan het trompetoog van het gareel van het achterpaard zit bevestigd Deze wijze van aanspannen heeft als voordeel dat men gebruik kan maken van de strengen van een tweespantuig, terwijl het vorkje achterwege kan blijven. Tevens heeft het achterpaard in de wendingen meer ruimte.

Oorsprong van het tandemrijden.
Voor de oorsprong van het tandem rijden moeten we een eind terug in de geschiedenis van het paard en zijn gebruik. In de tijd dat men uitsluitend over tweewielige voertuigen beschikte, was het gebruik van twee paarden voor werkaanspanningen niet vreemd. Op het moment dat de vracht voor één paard te zwaar was, zette men een tweede paard vóór het eerste.Het tweede paard trok aan de bomen van de kar, terwijl de voerman dan niet op de wagen zat, maar naast het voorpaard meeliep. Zo beschikte men over de trekkracht van twee paarden. Vooral in steden had een dergelijke smalle aanspanning grote voordelen in verband met de smalle straten en bruggen .In de loop van de vorige eeuw construeerde men tandemwagens voor het luxe gerij. De jachtaanspanning bijvoorbeeld,waarmee men ter jacht ging, kenmerkte zich door het feit dat er een koetspaard tussen de bomen van het, veelal hoge, tweewielige voertuig werd gespannen, terwijl het rijpaard dat voor de eigenlijke jacht gebruikt zou worden, vóór het koetspaard uitliep.

Het tuig van het koetspaard bestond uit een gareeltuig met aan de korte trekkers gespen met ogen, waaraan de strengen van het voorpaard werden bevestigd. Het hoofdstel van het koetspaard was tevens voorzien van ogen om de leidsels van het voorpaard te geleiden.Het tuig van het voorpaard week af van dat van het koetspaard. Het jachtpaard had een hoofdstel zonder oogkleppen aan, met in de mond een rijpaardbit. Dit paard droeg geen schoft, maar het zadel (zonder beugels). Wel had dit paard een licht borsttuig aan, waaraan de strengen waren bevestigd, die door middel van haken aan het tuig van het koetspaard werden vastgemaakt. Aan de strengen van het jachtpaard zat een ‘vorkje’ , twee riempjes die moesten voorkomen dat de strengen over de rug van het paard werden getrokken als er een wending werd gereden. Het was de bedoeling dat het jachtpaard zo fris mogelijk aan de meet verscheen. Het mocht dus niet trekken en werd bewust ‘uit de strengen gehouden . Voordeel van dergelijke aanspanning was tevens dat het jachtpaard lekker los kwam, alvorens de jachtruiter in het zadel stapte.

Bron: Een gecombineerde tekst van Dhr E. Eshuis via www.dekoetsnkeerls.nl en www.zavage.nl